fbpx
13 december 2016

Vetpercentage meten

Methoden om de lichaamssamenstelling te evalueren

Lichaamssamenstelling kan op 3 niveaus geëvalueerd worden. De beste methode om lichaamssamenstelling te evalueren is het lichaam open snijden en alle verschillende onderdelen te categoriseren en te wegen. Dit is een niveau 1 methode en is een directe methode. Aangezien dit natuurlijk in de praktijk niet mogelijk is voor mensen, wordt er via indirecte methoden gewerkt. Dit kan gesplitst worden in 2 verschillende methoden: indirecte methoden (niveau 2) en dubbel indirecte methoden (niveau 3). Hieronder worden enkele methoden kort besproken. Voor belang van deze lichaamssamenstelling methoden, zie supra (praktische implicatie belang van gekend vetpercentage).

 Indirecte methode

Onderwaterweging

Onderwaterweging die vroeger de gouden standaard werd genoemd, wordt nu niet veel meer toegepast. Onderwaterweging wordt gebruikt om de accuraatheid van andere methoden te evalueren. Onderwaterweging steunt op het principe dat verschillende weefsels, een verschillende massadichtheid hebben en dat het ene weefsel dus meer of minder zal drijven ten opzichte van water. Onderwaterweging is relatief duur, omslachtig en is erg tijdrovend. Wellicht zijn dit een aantal aanleidingen waardoor het steeds minder gebruikt wordt.

Dual-energy x-ray absorptiometry (DEXA)

DEXA is oorspronkelijk ontwikkeld om de dichtheid van lichaamsdelen te kunnen bepalen, bijvoorbeeld de botdichtheid. Later werd ontdekt dat dit ook zeer accuraat is om lichaamssamenstelling te bepalen. De DEXA-scan kan het verschil maken tussen botten, spieren en vetweefsel. Elk weefsel absorbeert de X-ray meer of minder. Via een DEXA-scan wordt het lichaam volledig gescand, zo kan men zowel een duidelijk beeld krijgen over de algemene samenstelling en ook over de plaatselijke samenstelling (bv. visceraal vet) Het is op deze manier dus mogelijk om de hoeveelheid vet te vergelijken met elkaar van regio tot regio.  Alhoewel een DEXA-scan zeer snel is en niet-ingrijpend is, wordt het in de praktijk niet veel gebruikt door de hoge kostprijs van het materiaal. Voor onderzoekers is het interessant om de gegevens die men van de DEXA-scan verkrijgt te vergelijken met de gegevens die men van andere methoden zoals de huidplooimetingen, verkrijgt. Zo kan men de formules aanpassen en beter op punt stellen.

 

Air displacement plethysmography (ADP)

ADP wordt ook gebruikt om lichaamssamenstelling te meten via de dichtheid van het lichaam. Men kan het als een ‘droge meting’ van de onderwaterweging zien. Een bekend merk die met de principes van air displacement plethysmography werkt is de Bodpod. De Bodpod meet hoeveel lucht er verplaatst wordt (en zo het volume) en hoeveel men weegt. Het lichaamsvetpercentage kan dan berekend worden aan de hand van de Siri formule of via de Brozek and Colleagues formule. Alhoewel deze methode voor relatief goede metingen zorgt, wordt het lichaamsvetpercentage bij volwassenen en kinderen onderschat met 2 tot 3%. Dit is een dure methode en is relatief accuraat, maar de DEXA-scan levert toch betere resultaten op, aangezien deze niet afhankelijk is van formules.

 Dubbel indirecte methode

Huidplooimeting

Huidplooimetingen worden vaak gebruikt om lichaamssamenstelling te beoordelen. De huidplooi wordt op verschillende specifieke punten op het lichaam gemeten via een gestandaardiseerde methode aan de hand van een huidplooimeter die een standaard druk uitoefenend van 10g/mm2 . De standaard techniek en plaats van de huidplooimeting wordt omschreven door Heymsfield en Marfell-Jones. Via een huidplooimeting tracht men het subcutane vet te meten. De resultaten worden dan in een voorspellende formule gezet om zo het geschatte lichaamsvetpercentage te bekomen. Meerdere meetplaatsen zou accurater zijn, maar bij meerdere meetplaatsen bestaat er een grotere kans op een foutmarge. Bij een geoefend operator kunnen huidplooimeters zeer accuraat zijn. Indien het individu die de huidplooi meet niet geoefend is, zit er gegarandeerd een foutmarge op. Ondanks de mogelijke meetproblemen blijft deze techniek toch zeer populair doordat het doelmatig en goedkoop is.

Bioelectrical Impedance analysis (BIA)

BIA is gebaseerd op het principe dat een elektrisch signaal gemakkelijker door vetvrije massa zal gaan dan door vet of botten. Met andere woorden op het principe dat vetvrije massa een betere geleider is voor de elektrische stroom (die steeds de kortste weg zoekt). De vetmassa wordt op deze manier geschat door de vetvrije massa te verminderen van het totale lichaamsgewicht. Indien het volledige lichaam getest wordt met BIA door elektroden op de enkels en polsen te plaatsen, kan men een relatief goede inschatting krijgen van het totale lichaamswater en vetvrije massa. BIA is echter afhankelijk van verschillende factoren die fouten bij de meting kunnen veroorzaken. Er is echter 1 groot voordeel ten opzichte van de huidplooimeting. Bij BIA moet de uitvoerder niet geoefend zijn. BIA is echter niet altijd even accuraat. Indien de hydratatie richtlijnen nageleefd worden, is BIA relatief accuraat. In de werkelijkheid worden deze richtlijnen echter niet vaak gevolgd. Zowel dehydratatie (ook bij een koolhydraatarme voeding waarbij glycogeen verlaagd is) als bij hyper-hydratatie kunnen de resultaten van BIA volledig verstoren. Zelfs een groots glas water kan de BIA resultaten met een aantal percentages verstoren. Deze methode is nog niet geëvalueerd bij de atletische populatie waardoor de correctheid van deze methode in twijfel kan worden getrokken. Aangezien atleten voldoende gehydrateerd moeten zijn en ze een grote hoeveelheid kcal elke dag moeten eten, lijkt het onrealistisch dat deze groep de vooropgestelde richtlijnen zullen/kunnen opvolgen.

Problemen met deze lichaamssamenstellingmethoden

De meeste methoden meten de lichaamssamenstelling niet rechtstreeks. In de meeste gevallen wordt de weefseldichtheid gemeten die dan op zijn beurt gebruikt wordt om het lichaamsvetpercentage in te schatten. Hierbij veronderstelt men dat de weefseldichtheid voor individuen in een bepaalde populatie gelijk blijft. Dit blijkt echter niet te kloppen. Krachttraining kan de botdichtheid significant laten toenemen. Hierdoor kloppen de meeste berekeningen niet.  Zo kan een 50 jaar oude gewichtheffer de botdichtheid hebben van een 20 jaar oude student. Bovendien is er een verschil in de massadichtheid van de verschillende vetweefsels. De meeste lichaamssamenstellingmethoden kunnen dus slechts als schattingen van het lichaamsvetpercentage gezien worden. Een uitzondering hierop is DEXA, deze meet rechtstreeks de weefseldichtheid. De huidplooimeter heeft bovenop bovenstaande problemen ook nog andere klempunten. Bij de huidplooimeting wordt er de veronderstelling gemaakt dat de dikte van de huid bij iedereen hetzelfde is en altijd gelijk blijft. Desondanks dat het slechts 1mm verschil zal uitmaken, is het aangetoond dat over vele meetplaatsen 1mm meer of minder een significant verschil van 1,5% vetpercentage kan veroorzaken. Voor obese individuen maakt dit niet zoveel uit, maar voor de prestatiegerichte atleet die reeds een laag vetpercentage heeft, is 1,5% meer of minder erg veel verschil. Huidplooimeters meten enkel onderhuids vet. Sommige individuen kunnen een grote hoeveelheid visceraal vet (vet rondom organen) hebben. Een daling van dit visceraal vet zal bij een huidplooimeter dus vaak als een daling van de vetvrije massa geregistreerd worden. Zo kunnen de prestatiegerichte atleten denken dat hun dieet niet goed is, terwijl hun vetvrije massa wel werd behouden. Het is belangrijk dat er onder dezelfde omstandigheden gemeten word. Bij een vrouw bijvoorbeeld kan de menstruele cyclus de resultaten significant beïnvloeden. Maar ook een simpele maaltijd of een glas water kan in sommige gevallen de meting verstoren. Sommige onderzoeken rapporteerden dat de huidplooimeting een betere manier is om lichaamsvetpercentage in te schatten dan BIA. BIA is dan weer een betere (in de zin van praktisch haalbaar) methode om grote hoeveelheden data snel te kunnen verzamelen, maar is minder accuraat om individuele kleine verschillen in lichaamsvetpercentage te meten. Uiteindelijk is het vooral belangrijk dat de metingen van de lichaamssamenstellingmethoden consequente resultaten opleveren.

Praktische implicatie:
Vb: Een sprinter heeft een reëel  vetpercentage van 10%. De huidplooimeting geeft een vetpercentage aan van 12%. De sprinter beslist zijn vetpercentage te verlagen maar wil hierbij wel zijn vetvrije massa behouden. Na 2 maanden laat hij opnieuw zijn huidplooi opmeten. Volgens de huidplooimeter heeft hij nu 10% vet, terwijl dit in realiteit 8% is. Desondanks dat de huidplooimeting eigenlijk niet correct is, kan de atleet zijn progressie wel monitoren. Het geeft ook een relatief goed beeld weer of er al dan niet vetvrije massa verloren is.